Geschiedenis van de jacht
In de ontwikkeling van de mens is een lange periode geweest waarin hij slechts verzamelaar was. Hij was voor zijn voedsel afhankelijk van wat hij vond tijdens zijn rondzwervingen en met het verzamelen van voedsel, op deze wijze was het grootste deel van zijn leven gevuld. Later werd hij ook jager, wat inhield dat hij zelf actie ondernam om voedsel, in de vorm van eiwitrijk vlees, te bemachtigen. Inventiviteit, vernuft en de kennis van de leefwijze van de dieren stelden hem in staat om de dieren te kunnen bejagen en te bemachtigen.
Het volgende stadium in de ontwikkeling van de mens was dat van landbouwer/veehouder.                                                                       

Was  jagen naast het verzamelen aanvankelijk alleen bedoeld om voedsel te verkrijgen, nu werd de jacht een belangrijk middel om de eigendommen te beschermen. Roofdieren die zijn vee belaagden, werden bejaagd evenals de plantenetende dieren die het op de oogst hadden voorzien.                            In de middeleeuwen werd jacht gezien als een belangrijke training voor het oorlog voeren. Tijdens de jacht, die toen veelal te paard werd uitgeoefend, trainde de ridder alle vaardigheden die later in het krijgsgewoel voor hem het verschil tussen leven en dood zouden kunnen betekenen. Weer later werd jacht een tijdverdrijf dat alleen was voorbehouden aan de grootgrondbezitter. Indertijd stonden er zware straffen, zoals het afhakken van ledematen en het uitsteken van ogen, op het stelen van wild dat aan de kasteelheer toebehoorde, het zogenaamde stropen.
 
                                                                                                                                                  Na de Franse Revolutie werden in de landen die door Napoleon werden veroverd alle privileges aan de adel ontnomen en aan het volk terug gegeven. Ook het privilege van de jacht viel daaronder. Nog steeds vindt men in deze landen een ander systeem van jachtwetgeving.
De Napoleontische tijd had ook gevolgen voor de wetgeving in Nederland. Hier kwam toen een ontwikkeling op gang, die uiteindelijk leidde tot de afschaffing van de "heerlijke" jachtrechten. In 1923 werd de eerste Jachtwet van kracht. Hierin werd jacht ondergeschikt gemaakt aan het landbouwbelang. De schade die wild aan kan richten aan de landbouwgewassen vond men toen zo belangrijk dat de jacht voornamelijk gericht was op het bestrijden van die schade. Slechts een klein gedeelte van de wet was gewijd aan de belangen van de jacht en over natuurbescherming had men het toen helemaal nog niet.
De maatschappij ontwikkelde zich intussen verder en daarmee veranderde ook het jachtbedrijf. Dit leidde in 1954 tot een geheel nieuwe Jachtwet waarin een goede afstemming plaatsvond van de belangen van de landbouw (schadebestrijding), de natuurbescherming (behoud van soorten) en de jacht. In 1977 vond opnieuw een essentiële wijziging plaats en werd het examen ingevoerd dat jagers sinds die tijd moeten afleggen voordat zij mogen jagen.
Afhankelijk van de omstandigheden en de veranderingen in de maatschappij veranderde het jachtbedrijf op deze wijze van noodzaak om in leven te blijven, via zinvolle vrijetijdsbesteding, naar actieve natuurbescherming met de nadruk op faunabeheer.                                                                                                          

Biotoopverbetering
De zorg die jagers hebben voor het wild uit zich onder meer in het verbeteren van het leefmilieu van wildsoorten. Steeds meer jagers hebben aandacht voor biotoopverbeterende maatregelen in het agrarische cultuurlandschap. De wijze waarop zij daaraan uitvoering geven wordt vastgelegd in wildbeheerplannen. Om tot uitvoering te komen plegen de jagers in Wbe verband overleg met lokale landbouworganisaties, waterschappen en met beheerders van natuurterreinen.

Biotoopverbeterende maatregelen vinden vooral plaats op agrarische gronden. Op jachtveldniveau staat de samenwerking tussen boer en jager centraal. Agrarische grondgebruikers blijken steeds vaker bereid om op de een of andere wijze ruimte te bieden aan verbetering van het leefmilieu van wildsoorten die bij hen geen schade veroorzaken aan landbouwgewassen. De maatregelen op boerenland zijn voornamelijk gericht op verbetering van de kwaliteit en de hoeveelheid dekking en voedsel voor wildsoorten als wilde eend, fazant, patrijs en haas. Echter, ook andere faunasoorten profiteren van de biotoopverbeterende maatregelen. Daarnaast zijn wildbeheereenheden betrokken bij het aanleggen en onderhouden van wildakkers specifiek ten behoeve van grofwildsoorten als ree en edelhert.

Door wildbeheereenheden worden landelijk in totaal 577 kleine poelen en plasjes onderhouden. Het gaat hierbij om voormalige drinkplaatsen voor het vee, dode armen van rivieren, voor kleiwinning gegraven putten en poelen. Veelal worden dit soort landschapselementen uitgerasterd en beplant, waardoor in het cultuurlandschap kleine refugia ontstaan voor watervogels. Uiteraard hebben deze poelen en plassen ook betekenis voor amfibieën, insecten en vissen. De begroeide randen zijn een uitwijkplaats voor haas en fazant.
Ook door het beheer van slootranden, bermen en perceelranden wor
dt het leefmilieu voor het wild verbeterd. Het beheer van perceelranden betreft onder meer het inzaaien van een akkerrand met een gewas of gewasmengsel, het inzaaien van een perceelrand met gras dat vervolgens niet wordt gemaaid of het niet oogsten van de buitenste rand van een perceel maïs. In totaal wordt door Wbe’s 532 kilometer perceelrand beheerd. Bermbeheer wordt vaak in combinatie met slootrandenbeheer uitgevoerd, waarbij de berm en de slootrand gefaseerd worden gemaaid. Dit wordt ook uitgevoerd in combinatie met het gefaseerd schonen van (een deel) van de sloten. In weer andere gevallen wordt een verschralingsbeheer toegepast, waarbij jaarlijks het maaisel van de slootkant wordt verwijderd. Wbe’s zijn betrokken bij het beheer van 450 kilometer slootrand.
Deze biotoopverbeterende maatregelen leiden in feite tot een ecologische infrastructuur op het boerenbedrijf, waar zowel bejaagbare als niet bejaagbare soorten, zoals vlinders, roofvogels en marterachtigen van profiteren.
Vaak is de WBE niet alleen initiatiefnemer, maar is ze tevens bereid kosten voor het beheer voor haar rekening te nemen. Ook wordt voor de uitvoering van deze vormen van agrarisch natuurbeheer, zoals het onderhoud van houtwallen en kleine landschapselementen, door Wbe's menskracht geleverd. Soms wordt een deel van het werk uitbesteed aan een loonwerker. 

Wildvoorzieningen
Wildredders en wildspiegels zijn de belangrijkste wildvoorzieningen die door Wbe's worden gebruikt om maai- en verkeersslachtoffers onder het wild te voorkomen.
Op plaatsen waar  reewild veelvuldig een weg oversteekt worden wildspiegels geplaatst, dit ter voorkoming van aanrijdingen met dit wild. Door de reflecterende werking van deze spiegels in de koplampen van auto’s worden reeën afgeschrikt. Wbe’s zijn op verschillende wijze betrokken bij het "beheer" van wildspiegels. Zij nemen initiatieven richting wegbermbeheerder om deze spiegels te (laten) plaatsen of zij verzorgen het onderhoud ervan. Onderhoud voorkomt dat er "gaten" vallen in de spiegelrij, waardoor het spiegeleffect beduidend minder
wordt.

 Wildschade


Het voorkomen en bestrijden van schade door wild aan land-, bos- en tuinbouwgewassen is een onderwerp waar vrijwel alle Wbe’s op de een of andere wijze bij betrokken zijn.
De maatregelen die worden genomen om schade door wild en andere diersoorten te voorkomen zijn divers. Waar het gaat om de bejaagbare wildsoorten, wordt de jachtdruk afgestemd op
schadepreventie. Voor zover afschot noodzakelijk is buiten het reguliere jachtseizoen, wordt gebruik gemaakt van een ontheffing artikel conform artikel 68van de F.en F.-wet.

Dit geldt ook voor het gebruik van niet normaal toegestane jachtmiddelen, zoals   kunstlicht. Voor afschot van beschermde soorten, niet zijnde wild in de zin van de F. en F.wet, genoemd in de Flora- en  is  een ontheffing nodig. Voor het vangen van de kraai, kauw en ekster is een kraaienvangkooi of  eksterkastval, alleennog toegestaan met een ontheffing art 68 (geen selectieve vangmiddelen) van de provincie ook al geldt hiervoor de landelijke vrijstelling conform artikel 65 FF-wet sinds 1 april 2004.
Naast vangst en afschot worden ook andere middelen ingezet om schade te voorkomen. Dit zijn onder meer akoestische afweermiddelen, afleidend voeren, boommanchetten, chemische afweermiddelen, (elektrische) afrasteringen, netten, vogelverschrikkers, vlaggen en linten, en het schudden van eieren. Een grondgebruiker krijgt zelfs alleen ganzenschade vergoed, als hij genoeg afweermiddelen op het perceel heeft geplaatst.